ELSA Leiden
Dutch Dutch

Blog februari 2022

Iris von Schmid

 

Op 27 januari 2022 is het initiatiefwetsvoorstel om de verplichte bedenktijd van minimaal vijf dagen bij abortus af te schaffen, ingediend door de PvdA, GroenLinks, VVD en D66. De verplichte bedenktijd is opgenomen in de Wet Afbreking Zwangerschap (Wafz).

Het is interessant om de Wet Afbreking Zwangerschap, ook wel de abortuswet genoemd, vanuit een juridisch perspectief te bekijken. De Wafz is in 1984 in werking getreden. Bij het maken van de wet werden twee belangen tegen elkaar afgewogen; de autonomie van de vrouw en de bescherming van het ongeboren menselijk leven.

De autonomie van de vrouw om zelf te mogen beslissen is gebaseerd op het recht op lichamelijke integriteit ex art. 3 EVRM en het recht op privacy ex art. 8 EVRM. De ratio hierachter is vergelijkbaar met de ratio uit het Amerikaanse Roe v. Wade-arrest. Daarin oordeelde het Amerikaanse Hooggerechtshof dat het recht op privacy de vrijheid van de zwangere vrouw beschermt om zelf de keuze te maken of zij abortus wil of niet.

Daar staat tegenover de bescherming van het ongeboren menselijk leven dat gebaseerd is op het recht op leven ex art. 2 EVRM.

Art. 2 lid 1 EVRM bepaalt dat “het recht van een ieder op leven wordt beschermd door de wet. Niemand mag opzettelijk van het leven worden beroofd, behoudens door de tenuitvoerlegging van een gerechtelijk vonnis wegens een misdrijf waarvoor de wet in de doodstraf voorziet.”

Uit het artikel valt af te leiden dat een ieder beschermd wordt tegen opzettelijke levensberoving. Art. 82a Sr geeft de definitie van wanneer er sprake is van het leven beroven. Het artikel bepaalt dat “onder een ander, of een kind bij of kort na de geboorte, van het leven beroven wordt begrepen: het doden van een vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat is buiten het moederlichaam in leven te blijven.”

Volgens wetenschappelijk onderzoek is het ongeboren kind na 24 weken levensvatbaar. Tot die tijd kan een ongeboren kind niet van het leven beroofd worden en levert het beëindigen van het leven dus ook geen strafbaar feit op. Dit is opvallend, omdat enerzijds het ongeboren kind weinig juridische bescherming krijgt tot 24 weken. Het kan immers niet van het leven beroofd worden in de zin van art. 82a Sr. Anderzijds is het de intentie om het ongeboren menselijk leven in grote mate te beschermen door de verplichte bedenktijd van vijf dagen, zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting van het wetsvoorstel in 1978/1979.

Nu blijkt uit onderzoek van ProFacto en het Amsterdams Universitair Medisch Centrum dat veel vrouwen reeds ruim bedenktijd hebben genomen, voordat zij een afspraak bij de kliniek maken. Men zou zich dus kunnen afvragen of de verplichte bedenktijd dan wel nut heeft en of er niet een beter alternatief voorhanden is. Deze vraag wordt ook behandeld in de Tweede Kamer en de ontwikkelingen zullen met interesse gevolgd worden.