ELSA Leiden
Dutch Dutch

 

Vonnisafspraken, de Amerikanisering van onze rechtspraak

Sebastian Cornielje

Sinds jaar en dag is er in Nederland een taboe op het zo populaire, uit Amerika overgevlogen ‘plea bargaining’, wat zich in het immer spannende en elegante Nederlands sinds afgelopen jaar heeft laten vertalen in ‘vonnisafspraken’.

De rechtspraak is ertegen omdat het slachtoffer geen plaats heeft aan de vergadertafel, maar het kan veel goeds betekenen voor het metier van de openbaar aanklager. Zou er dan toch eindelijk juridisch talent kiezen om hun carrière te beginnen bij het OM in plaats van de Zuidas?

In Amerika is plea bargaining niet alleen bon ton, het is standaardpraktijk. Door middel van slimme deals met verdachten proberen de openbare aanklagers, ook wel prosecutors genoemd, voldoende bewijs te verzamelen om die grote zaak te winnen. Dat er dan een aantal kleinere criminelen door hun bekentenis een lagere straf krijgen, daar heeft niemand problemen mee.

Waar in Amerika de openbaar aanklager vrijwel op gelijke voet staat qua allure als de advocaat, is dat in Nederland toch wat anders. In Nederland wordt de officier van justitie nog net niet geassocieerd als iemand die met een aktetasje op de fiets naar het werk gaan.

Door het gebrek plea bargaining in Nederland is er inderdaad minder volatiliteit in de rechtspraak, maar ook in de carrière van de gemiddelde officier van justitie. Daar het in Amerika met hoge regelmaat voorkomt dat getalenteerde juristen bij het OM aankloppen voor hun eerste baantje, gebeurt dat in Nederland niet al te vaak.

Het plan is in Amerika vaak om als prosecutor een aantal baanbrekende zaken met succes af te sluiten, teneinde na een aantal jaar over te stappen naar een white shoe advocatenkantoor, waar je al snel het drievoudige van je ambtenarenloon verdient.

Deze mogelijkheid bestaat in Nederland als officier van justitie niet echt: de beweegruimte om een zaak van dat formaat eigenhandig op te bouwen door middel van kroongetuigen te selecteren voor bewijsmateriaal komt in Nederland vrij zelden voor. Het OM heeft zelfs een kroongetuige per definitie bestempeld als iemand die bij samenwerking in ‘uitzonderlijke gevallen’ een toezegging als strafvermindering kan ontvangen.

In Nederland vinden we dat vooral strafrechtelijke zaken moeten worden afgedaan door een onafhankelijke rechter, daar hebben we ze immers voor, niet om als een soort notaris hun fiat te verlenen voor dealtjes tussen verdachten en officier van justitie. In andere lidstaten van de EU is er een aanzienlijke opkomst van de vonnisafspraken, en wat betreft het OM en de minister van Justitie zou Nederland maar wat graag in dat lijstje terecht mogen komen, mede door het feit dat deze afspraken efficiënter en goedkoper zijn dan werkelijke rechtspraak.

De Raad voor de Rechtspraak denkt daar echter anders over. Aangezien slachtoffers geen rol hebben aan de onderhandelingstafel en de rechterlijke rol gemarginaliseerd wordt, lijkt het de Raad geen goede ontwikkeling. Ze zijn van mening dat de rechter over meer moet kunnen oordelen dan alleen de redelijkheid van het resultaat van de onderhandelingen. Ook zal de balans van de trias politica een punt van discussie vormen door de toename in invloed die het OM zou krijgen met de vonnisafspraken. Het huidige politieke klimaat kijkt niet lichtzinnig naar een nog machtigere overheid, zeker niet als het gaat om rechtspleging.

Concluderend hebben grote partijen binnen de Nederlandse maatschappij belangen en idealen die diametraal tegenover elkaar staan. Dat er dus de komende jaren ingrijpende veranderingen richting meer vonnisafspraken zullen plaatsvinden is een kans die men zeer gering kan achten. Dat juridische talent er dus voor zal kiezen om vanuit de collegebanken naar het OM te vertrekken is even fictief als de Amerikaanse films waar de openbaar aanklager in verheerlijkt wordt.